De Atlantikwall

In december 1941 gaf Hitler bevel tot de aanleg van een wal langs de Atlantische Oceaan, van Noorwegen tot de Spaanse grens. De wal was bedoeld als verdedigingsmiddel tegen invasies. De aanleg begon in 1942 en concentreerde zich op de belangrijkste havens van Frankrijk, in het bijzonder die na Dieppe. De Duitsers gebruikten meer dan 17 miljoen ton beton en 1,2 miljoen ton staal voor deze kustversterking, die vergelijkbaar was met de Maginot-Linie. Er waren echter maar weinig Duitse generaals die vertrouwen hadden in de Atlantikwall.

Een van hem omschreef de wal als een dun, op veel plaatsen breekbaar stukje touw met een paar kleine knopen erin. Waar de wal klaar was, was het een geweldig obstakel, maar hij vormde geen ononderbroken lijn. De sterkste gedeelten waren in het Nauw van Calais; hier stonden 93 zware geschutsemplacementen en 39 mobiele zware kanonnen, ter wijl aan de Normandische kust 27 emplacementen en 20 mobiele zware kanonnen stonden.

Behalve geschutsstellingen, kleine bunkers en forten omvatte de Atlantikwall ook diverse rijen stalen balken, die 5,5m boven de laagwaterlijn uitkwamen en landingsvaartuigen open zouden rijten of blokkeren. Tot slot had men mijnenvelden aangelegd, die 275m landinwaarts liepen. Rommel, die eind 1943 de leiding over de verdediging van Noord-Frankrijk kreeg, werkte hard om provisorisch extra versterkingen verder landinwaarts aan te leggen. Langs de hele kust lagen twee mijnengordels van elk 1 km breed met in totaal ruim 2 miljoen mijnen.

Rommel plande een derde mijnengordel van 7,5 km breed, en tegen D-Day was het aantal mijnen dat langs de Franse Atlantische kust was gelegd, opgelopen tot ruim 4 miljoen. Hieronder waren ook de asperges van Rommel, zoals de Duitsers ze noemden: op staken geplaatste mijnen als verdedigingsmiddelen tegen zweefvliegtuigen. Tegen juni 1944 bestond de Atlantikwall uit versterkingen op het strand, kleine bunkers en forten aan de waterrand, verder landinwaarts mijnengordels en forten, en hier en daar goed verdedigde dorpen en gehuchten aan de kust.

Het grootste probleem voor Rommel waren de aantallen en de kwaliteit van de troepen om deze verdedigingswerken te bemannen en de behoefte aan gepantserde reservestrijdkrachten als de geallieerden zouden doorbreken.

Stützpunktgruppe Scheveningen

Begin ’42 moest ook de badplaats Scheveningen er aan geloven. Men had begrepen dat er in dat jaar geen badseizoen zou komen. Op het strand mochten geen badcabines of tenten op het strand worden gebouwd. Enige weken daarna werd de Boulevard afgesloten. Op het strand en in de duinen gold een toegangsverbod voor burgers. Het verboden gebied heette ‘Sperrgebiet’.

Begin mei werd door de bezetter bekend gemaakt dat vrijwel alle bouwwerken in de directe nabijheid van de kust moesten worden ontruimd; niet alleen hotels maar ook woonhuizen en kerken. Daarom werden in Scheveningen – vooral in Duindorp – veel woningen door de bewoners verlaten. In oktober 1942 werd een groter deel van Scheveningen met een stuk westelijk Den Haag tot Sperrgebiet verklaard. Nog meer huizen, zo’n 30.000, werden gesloopt en ongeveer 50.000 bomen in bossen en plantsoenen gerooid.

Duizenden arbeiders van de Organisation Todt en Nederlandse aannemingsbedrijven hielpen mee aan de afbraak van een fraai gedeelte van Den Haag en Scheveningen. De reden hiervan was het bestuurscentrum van de Duitsers in Den Haag beter te kunnen beschermen bij een eventuele inval van de Geallieerden.

Ook Den Haag kreeg prioriteit bij de aanleg van verdedigingswerken, omgeving Sweelinckstraat.

Omgeving Seinpost, betonnen tankmuur met geschutskazemat van het type 680.

Het concept van Rommel: versperringen op het strand van Scheveningen thv Paviljoen Von Wiet.

De bewoners moesten ook naar elders vertrekken. Velen werden geëvacueerd naar de Achterhoek in Gelderland. Alleen degenen die in de vesting werkten, mochten er ook blijven wonen … Aan de Ortskommandat werden op 27 mei 1942 sleutels van ontruimde woningen overhandigd … vermeldde de Dienst Stadsontwikkeling omtrent de eerste Scheveningse slachtoffers.

De Atlantikwall bestond uit een reeks uit elkaar liggende steunpunten, die verschilden in grootte en betekenis. De kleinere steunpunten kregen de benamingen Widerstandsnester en Stützpunkte. Wanneer een steunpunt op een belangrijke strategische locatie lag, kreeg hij de benaming Stützpunktgruppe. Deze werden altijd omringd door een tankversperring. Zo gebeurde het ook in Den Haag. Alleen werd de benaming Stützpunktgruppe Scheveningen ofwel Vesting Scheveningen.

Stützpunktgruppe Scheveningen liep samen met het aangrenzende Stützpunkt Clingendael langs de kust vanaf Kijkduin bij kustkilometerpaal 106,750 tot kustkilometerpaal 97,350 en uiteraard een brede strook ten zuiden daarvan. Het hele gebied noemden de Duitsers Hauptkampflinie.

De linie omvatte geheel of gedeeltelijk de volgende wijken: Kijkduin, de Vogelwijk, Bomen- en Bloemenbuurt, Zorgvliet, de Scheveningse Bosjes, Benoordenhout, het Haagse Bos, landgoed Oosterbeek, park Clingendael en uiteraard geheel Scheveningen.

Langs de landzijde van de linie was een strook van 600 meter aangewezen waarbinnen voldoende schootsveld moest zijn. In de Hauptkampflinie waren allerlei voorzieningen aangebracht om tanks tegen te houden. Scheveningen kon zowel aan de zeezijde als aan de landzijde door de Duitsers verdedigd worden.

Angst voor invasie

Dat het zover met Scheveningen kon komen, was het gevolg van de toenemende angst van de bezetter voor een invasie. Hoewel al in juni 1940 een eenheid van de Waffen SS Den Haag binnenreed om het strand en de havens te bewaken, oordeelde het Duitse opperbevel in december 1941 dat de kust een te makkelijke prooi zou vormen voor een aanval vanuit zee.

Langs de Oostzee, Noordzee en de Atlantische Oceaan moest daarom de “Neue Westwall” of Atlantikwall worden gerealiseerd, om te voorkomen dat er, nadat in juni dat jaar de aanval op Rusland was ingezet, in het westen een tweede front zou kunnen ontstaan. In Nederland kregen: Den Helder, IJmuiden, Hoek Van Holland, Vlissingen en Scheveningen de prioriteit, waarbij de laatstgenoemde plaats dat belang vooral ontleende aan de nabijheid van het regeringscentrum in Den Haag.

Ook het feit dat rijkscommissaris dr. A Seyss-Inquart – de hoogste Duitse bestuurder in het bezette Nederland – zijn intrek had genomen in het huis op landgoed Clingendael zorgde ervoor, dat de verdediging zo goed mogelijk moest zijn geregeld. In januari ’42, een maand na het besluit om de westgrens van het Duitse rijk te versterken, maakte de commandant van de in Den Haag gelegerde troepen de balans op.

Infanterie en marine eenheden waakten op diverse plaatsen over de haven: met mitrailleurs en afweergeschut hadden ze stellingen betrokken voor de kust van Duindorp (bij het zendstation Scheveningen Radio), rond de haven en in de strook tot aan de vuurtoren. Bij paviljoen Von Wied, op het wandelhoofd (de toenmalige pier, tegen over het Kurhaus), op het dak van het Palece Hotel en aan de boulevard waren eveneens posten ingericht. De troepen beschikten ook over enkele bunkers. Daarbij ging het nog om bouwwerken die het Nederlandse leger had gebouwd.

Anti-tankversperringen in de stad

De permanente achteringang van een geschutskazemat nabij de 'Naald' (type 625).

Afbraak bunker voor het Kurhaus.

Werken aan de bunkers

De vele arbeiders van de Atlantikwall moesten elke dag van de week werken, van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds, onderbroken door een korte middagpauze. Het dagmenu bestond uit een portie waterige groentesoep. Het regime was tegenover de dwangarbeiders en Russische krijgsgevangenen keihard. Bewakers bestraften zelf de kleinste overtreding met stokslagen, schoppen of klappen met de geweerkolf.

Door het zware werk, geweld en de honger was de dood voor de onderlaag in de hiërarchie van de Atlantikwall nooit ver. De arbeiders bivakkeerden in barakken of in beslag genomen onderkomens. Maar daar brachten ze niet veel tijd door. Wat we in onze vrije tijd deden? Dan sliepen we; vertelde een arbeider na de oorlog.

Sommigen hadden het geluk dat ze op een stromatras konden slapen, de rest lag op de kale vloer. Ze kregen zelden nieuwe werkkleding. Van juli 1942 tot maart 1943 droeg ik de zelfde kleding; herinnert een arbeider zich. De omstandigheden waren ook voor betaalde krachten slecht. Maar zij waren niet aan hetzelfde regime en de zelfde controle onderworpen.

Landing op D-Day

De eerste gebeurtenissen op 6 juni voltrokken zich kort na middernacht, toen Britse parachutisten werden gedropt tussen de Orne en Dives. Vervolgens was het de beurt van de Amerikanen om te landen op het schiereiland Cotentin. In de tussentijd bombardeerde duizend zware gevechtsvliegtuigen van de RAF de tien grote artilleriebatterijen in de baai van de Seine, die de grootste bedreiging vormde. Bij het aanbreken van de dag nam de 8e Amerikaanse luchtmachtdivisie  de aanval over, gevolgd door tactische luchtmanoeuvres.

Bij zonsopgang keken de verbijsterde Duitsers uit over een zee die was bezaaid met duizenden schepen.  Om 5:45 uur begonnen de oorlogsschepen met een helse beschieting op de kustverdedigingswerken. Om 6:30 uur bereikten de eerste Amerikaanse aanvalsgolven Utah Beach en Omaha Beach, waar de uitslag van de strijd een aantal uren onbeslist bleef, werd de Atlantikwall over een breed front platgewalst. Hoewel de invasie op zich slaagde met naar verhouding weinig strijd, zou de bevrijding van Normandië veel langer duren en aanzienlijk afmattender zijn dan de Geallieerden zich aanvankelijk hadden voorgesteld.